woensdag 23 maart 2011

Of hoe ze plots in een natuurramp terechtkwam.

'I'm so scared. There was a big earthquake and a tsunami and many people died and I'm so scared."
Het frêle receptionistje van onze hostel in Hiroshima keek ons verschrikt aan. Ze had net telefoon gekregen van een vriend. Ergens boven Tokyo was een uur geleden een natuurramp buiten proportie gebeurd. Het begin van de apocalyps, zo klonk het toch. Wij stonden er een beetje verslagen bij. Twee toeristjes uit België, gepakt en gezakt met een veel te zware rugzak, niet wetende hoe een echte aardbeving voelt, laat staan een tsunami. Een tsu-na-mi begod! Boven ons hoofd! En helemaal niet zo ver van Tokyo, de crazy metropool waar wij net vandaan kwamen.

En dan begon het surreëele deel van onze vakantie. We werden overspoeld met gruwelijke tv-beelden in een taal die we niet begrepen, we zagen mensen druk telefonerend en doelloos in het station rondlopen, we kregen extra edities van Japanse kranten in onze handen geduwd. Wat was er in godsnaam aan de hand? Een ding was zeker: we moesten weg, richting Zuiden en naar Tine, zo ver mogelijk van de gevarenzone, en... misschien ook maar meteen terugvliegen naar België?

En dan begon het chaotische deel van onze vakantie. Gaan we naar de luchthaven in Tokyo of niet? Is het wel veilig? Kunnen we niet vroeger vertrekken via een luchthaven in Osaka? Connections bellen, World Assistance Bellen, Ambassade bellen, Buitenlandse zaken bellen, thuisfront op de hoogte houden, wachten op de airbus van Crembo. Een heel gedoe, zeker als je laptop nog in Gent ligt, en je gsm in Japan niet werkt. We zaten in een hostel in Kyoto met Nieuw-Zeelanders, Amerikanen, Fransen, Spanjaarden, en allemaal wilden ze zo snel mogelijk naar huis. Die nucleaire gassen boven Fukushima waren niet te vertrouwen.

En dan moest het spannendste deel van onze vakantie nog komen. En daarmee bedoel ik de aardbeving waar we een uur voor ons vertrek richting België nog op getrakteerd werden. Lieselot en ik zaten in de luchthaven toen we het aardbevingsalarm hoorden afgaan. Overal in Japan staan tv-schermen opgesteld met non-stop earthquake-news. Als er een alarm afgaat, weet je: er komt weer iets. En een uur voor we op ons vliegtuig stapten, kon Japan het niet laten ons nog een klein souvenirtje mee te geven. De grond begon te beven, de glazen wand naast ons te kraken, mensen schoten verschrikt van hun stoel. Jep, een zoveelste aardbeving dus. En met natrillende gummi-benen en zweterige handjes stapten we een uur later opgelucht op het vliegtuig.

Iemand zin om binnenkort naar Japan te gaan?
Doen, zou ik zeggen. Al is het maar voor:
- de verwarmde WC-brillen met de vele knopjes.
- de lekkerste en goedkoopste sushi ooit.
- de komieke Japanners. Ze zijn klein, schattig, ontzettend gedisciplineerd en zeggen wel een miljoen keer per dag 'arrigatou kozamaaaaas'
- de science-fiction-achtige Shinkansen-treinen
- shopperdeshoppen in Tokyo-City
- een overnachting in een sekte-achtig claustrofobisch 'capsule-hotel'
- de pantoffel-experience: overal 'schoenen uit, pantoffels aan'
- het avontuur: you never know what you gonna get


woensdag 2 februari 2011

Over de job

Plezant zeker, jouw job? Het is een vraag die me wel vaker wordt gesteld. Zeker als ik het magische woord Flair bovenhaal. En ja, tuurlijk heb ik een leuke job, wat zeg ik, een fan-ta-stische job. Maar meestal haalt mijn West-Vlaamse bescheidenheid de bovenhand, en mompel ik te enthousiaste waauw-kreten stilletjes weg met uitlatingen als 'ook wel veel avond-en weekendwerk', 'best wel chaotisch', 'weinig verlof', en 'mensen die vlak voor deadline hun kat sturen, kosten me minstens drie jaar van mijn leven'.

Maar, als ik heel eerlijk ben, moet ik het wel toegeven: ik heb de coolste job ter wereld. En af en toe komt dit besef ook helemaal naar boven. Dan voel ik het opborrelen in mijn buik, klimt het langzaam omhoog en duwt het mijn mondhoeken in een brede grijns. Hell yeah, I like my job! Daarnet, in de auto ergens ter hoogte van Beervelde, kreeg ik het weer. Het gevoel van job-euforie en het besef er nog voor betaald te worden ook.

Zondag mocht ik in Knokke een Thaise lunch testen, maandag zat ik in Sint-Stevens-Woluwe bij een van de beste patissiers van het land geboeid te kijken naar de fenomenale ijstaart waarmee hij op het WK Patisserie brons pakte, dinsdag at ik appeltaart met een sexy mannelijke BV (die me ook wel meer dan een uur had laten wachten, maar dit geheel ter zijde), en vandaag had ik in een hippe bar in Antwerpen een fotoshoot met twee toffe dames terwijl de Strawberry Daiquiri rijkelijk vloeide. Vorige week testte ik een massage, volgende week ga ik op zoek naar een sneeuwwitte keuken voor een shoot met Elodie Ouedra-dinges. Om maar te zeggen, ik heb een coole job.

Ik wilde altijd journaliste worden omdat ik dan op plaatsen kwam waar ik anders van mijn leven nooit zou geraken. Of dat nu de kelder is van Maurice die obussen verzamelt, de Roeselarekreek, de cockpit van een pilote, de keuken van een BV, of het podium waar een rockband een half uur later zal optreden, dat maakt me niet uit. Mijn schriftje en ik, wij zien, horen en ontdekken dingen waar we anders nooit mee geconfronteerd zouden worden. En daarom heb ik dus de coolste job ter wereld.

- Dit gezegd zijnde, gooi ik me nu in mijn zetel. Want van al dat tsjolen en ontdekken wordt een mens moe. En het moet gezegd, there's no place like home.


vrijdag 14 januari 2011

Van die vrijdagse gesprekken

- Die Playboy die boven ligt, is die van jou?
- Uhu.
- Ah zo.
- Ja, er stond een interview van vier pagina's in met Michel Preud'homme. Vier pagina's, toch zot.
- Moh, ik wist niet dat jij dat kocht.
- Normaal niet, het was voor dat interview met Preud'homme. Ik kwam van Brussel, zocht een boekje voor op de trein, las Preud'homme op de cover en begon het eens te doorbladeren.
- Dus, jij leest Playboy op de trein?
- Ja, maar da's echt wel nog interessant. Een mooi magazine. En er staat daar echt niet veel bloot meer in. Ik verschoot er zelf van.

Yes, ik heb een echte vent in huis. Een die Playboy koopt voor de artikels.
En houdt van voetbal.

zondag 9 januari 2011

Afscheid van mijn witte vriend

Het is gebeurd.

De Kangoo heeft zijn laatste rit gereden. Recht naar de garage in Ichtegem waar ik hem met spijt in het hart verkocht heb voor veel te weinig geld. 250 euro, zei de garagist. Meer zat er niet in. Hij was zijn laatste vuile smogadem aan het uitblazen, op sterven na dood. En in autoland betekent dit heel wat. Enkel nog bruikbaar voor wat wisselstukken waarmee hij andere Kangoo-wrakken kon oplappen, zei de garagist. Of heel misschien kon hij nog hopen op de goodwill van een Pool, of een Indiër. Stiekem hoopte ik dat laatste. Mijn witte bolide als taxi in het verre India, zag je hem al gaan? Maar heel eerlijk, zelfs daar mocht ik niet op hopen, zei de garagist. Zelfs Polen en Indiërs zijn kieskeurig geworden als het op auto's aankomt.


Mijn nieuwe is een Berlingo. Licht van kleur, blinkt in zijn vel, spint als een pasgeboren kitten, met veel knopjes, nog meer lichtjes én nieuwe Europese nummerplaten. Vast een knaller van een auto. Maar echt enthousiast kan ik er nog niet over zijn. Dat zou niet eerlijk zijn tegenover de Kangoo. Wat zeg ik, het voelt als verraad.

Vandaar deze laatste ode, lieve Kangoo. We shared a life together! Je hebt het allemaal meegemaakt: de grote verhuis in Gent, de komst van mijn lief, mijn eerste journalistieke ritten naar Antwerpen, de laatste rit naar Holland. You rule! Een dikke merci, en weet, je coole rally-stuur zal ik nooit vergeten.




maandag 6 december 2010

Ho Ho Ho

Normaal ben ik wel een stoere. Rood heeft me altijd beter gestaan dan roze, en in mijn kleerkast hangen meer jeansbroeken en baskets dan kleedjes en hakken. Vroeger had ik het ook niet zo voor Barbie. De Scheerpret-Ken, die was nog cool, maar voor de rest kon de Sint me meer plezier doen met een knikkerbaan, voetbal of skateboard –ok, het was een felroze, duidelijk een voor meisjes-, dan met een schminkpop. Een stoere dus. Dat imago heb ik wel een beetje. Al vertoont mijn ruwe bolster één grote barst. Een serieuze bobbel, die zich elk jaar eind november volledig ontwikkelt en begin december als een etterende puist tot uitbarsting komt.

Ik ben een kerstwatje. Spuitsneew, kerstbomen, inpakpapier, rendieren, maretakken, Irish Coffees, Jingle Bells, give it to me baby! Hoe meer, hoe beter. En zelfs de irritante kerstmannetjes die de laatste jaren bijna elke rijhuisgevel omhoogklimmen, kunnen me niet op andere gedachten brengen. I love X-mas. Ja, X-mas met X.

En zo komt het dat mijn kerstboom al staat. En dat ik mijn eerste kerstmarkt inclusief Irish Coffee(s) al achter de kiezen heb. Zes december, en ik ben er klaar voor. Mijn huis ruikt naar kaneel, mijn Carols zitten in de cd-speler, en mijn boom schittert en straalt nog meer dan het nieuw kostuum van Eddy Wally. Vijf chocolaatjes op, negentien to go, vertelt de adventskalender aan mijn keukenmuur!

Een kerstwatje dus, zo soft als een neerdwarrelend kerstvlokje, maar ook wel een beetje stoer.

dinsdag 23 november 2010

Iets geks

Ik heb iets geks gedaan. Iets zots. Iets wat ik nooit gedacht had ooit te zullen doen.
Zotte dingen doe ik wel vaker, maar altijd vrij kleinschalig. Een blog beginnen bijvoorbeeld, een dagje Parijs heen en terug, of tijdens de lunch geen klassieke smos kaas maar een vette hamburger met gehakt en pickles bestellen. Héél af en toe ga ik verder en verleg ik mijn grenzen pas echt. Zo was ik net afgestudeerd toen ik me inschreef voor een zotte wedstrijd: win de vakantiejob van je leven. Bij Flair begod. Ik deed mee, won, en bleef plakken. Of die keer toen ik op een feestje recht op die zwarte krullebol waar ik al jaren een crush op had, toestapte. Die krullebol woont ondertussen bij mij.

Nu heb ik weer iets gedaan, en ik sterf nu al van de zenuwen. Of het is van excitement.
Ik heb een ticket naar Japan gekocht!
Tine, mijn allerliefste globetrotter-vriendin, here I come. Eindelijk. Na jaren van getwijfel en overpeinzingen weet ik het zeker, ik kom af. Ik, die nog nooit een voet buiten Europa heb gezet, en nog nooit langer dan 5 uur heb gevlogen, loop binnen vier maanden rond in Tokyo, Nagasaki, of whatever.

En aangezien ik geen Oosten-freak ben, en zelfs geen rijst, zeewier of sushi lust, is dit voor mij een geweldige stap.

dinsdag 16 november 2010

Stoemp stampen

Rond een uur of vier begon het al te borrelen. Ik moest naar huis, en rechtstreeks naar mijn kookfornuis om te hakken, te snijden, te bakken en te braden. Geen risotto, sushi of pasta, maar boereneten, Vlaamse kost. Misschien zelfs stoemp! Ik ben West-Vlaming in hart en nieren, en patatten en groenten stampen tot een volwaardige winterse maaltijd leek me de perfecte afsluiter van zo’n dag vol dichte mist waarin zelfs een hond zijn jong niet kan terugvinden.

Stoemp dus.

Ik heb drie keuken-hulplijnen: mijn mama – de beste kokkin van de wereld, vooral wat de Vlaamsche boerenkost betreft-, kookboeken of het internet. En omdat ik een paar weken geleden een héél sympathieke foodblogster geïnterviewd had, besloot ik om eens op haar blog rond te neuzen. Food first then morals, een echte aanrader trouwens. Het is de blog van Sarah, een ex-uniefgenote van mij. 'Met liefde gemaakt, dat smaakt', je kent het wel. Basic, lekker en gezellig. Zo'n mensen heb ik graag.

En zo komt het dus dat ik een uur of drie later als een volleerde Vlaamse huisvrouw waar Stijn Streuvels nog een puntje aan kan zuigen, wortelstoemp stond te stampen. A la Sarah, maar dan toch een beetje anders. Op zijn West-Vlaams, met veel boter, lawaai, en nog meer liefde gemaakt.

En het was lekker, maat.

Mijn oma zaliger, geboren en getogen in Reningelst dorp, epicentrum van de Westhoek, zou trots op me geweest zijn, en mijn lief at met smaak. En ik, ik was content, want als ik patatten kan stampen, dan ben ik gelukkig. En daar doet een mens het toch voor.